Meister Eckhart (rond 1260–1328) zag zichzelf niet als
een mysticus, maar op de eerste plaats als een rondtrekkende predikbroeder.
Als predikbroeder bezat hij de gave om met sprekende beelden zijn publiek in
de meest ingewikkelde theologische vragen in te leiden. Bij zijn latere
veroordeling werd hem dit aangerekend: hij zou mensen teveel met allerlei
subtiele, volgens zijn tegenstanders te hoog gegrepen problemen belast
hebben. Eckhart had echter de gewoonte vrijuit te spreken en zijn publiek
als volwassen, kritische gelovigen te nemen (iets wat men naar mijn gevoel
vandaag te weinig doet). Zijn teksten kan men vanuit meerdere hoeken
bekijken, maar een van de belangrijkste sleutels is de retorische. Eckhart
tracht zijn toehoorders enthousiast te krijgen voor wat volgens hem het
allerbelangrijkste is.
Als rondtrekkende predikant was hij veel uren onderweg.
En naast zijn werk al professor werd hij veel jaren met allerlei
bestuurlijke problemen geconfronteerd. Ook dat merk je bij het lezen van
zijn teksten. Niet toevallig kiest hij in zijn preek over Martha en Maria de
kant van Martha. Zij is een fase verder dan Maria, die het nog nodig vond
aan de voeten van Jezus te zitten. Wie tot waarachtige innerlijkheid komt
hoeft niet meer passief te zitten, maar kan tegelijk in diepe verbondenheid
met God leven én met de dagelijkse dingen bezig zijn. Want, zo schrijft hij
in een preek, God kun je zowel op straat, in de stal als in de kerk
ontmoeten. Martha was wel bij de dagelijkse dingen, maar deze konden
geen beslag op haar leggen, omdat ze altijd die innerlijke vrijheid en
intense verbondenheid kende. Daarmee nam Eckhart afstand van het
levenspatroon van de abdijen en reikte hij aan zijn medebroeders een nieuwe
spiritualiteit aan.
Eckhart werd tijdens zijn leven door een groep van
vrijgevochten christenen aanbeden. Ook na zijn dood bleven zijn teksten
gelezen en becommentarieerd, tot op vandaag. Vanwaar die blijvende
actualiteit zowel voor filosofen, theologen als voor de gewone man of vrouw
die zoekt naar spirituele verdieping? Hoe dacht hij over de mens en over God
of, beter gezegd, de Godheid? Om dat te verduidelijken verwijs ik naar drie
beelden die hij gebruikt en die een goed idee geven van zijn retorisch
talent.
Maagd
De preek over het bezoek van Jezus aan Martha en Maria
(Lc. 10,31) begint als volgt:
Onze Heer Jezus ging op naar een burchtstadje en werd
ontvangen door een maagd die vrouw was… Maagd betekent zoveel als: een
mens die vrij is van alle aangeleerde voorstellingen, zo vrij en leeg als
hij was toen hij nog niet was.
Als een echte middeleeuwer gaat Eckhart heel vrij met
de bijbelse tekst om en past hij die aan aan wat hem fascineert. Jezus
ging daarom op bezoek bij een vrouw, die maagd was. Daarmee wil hij zeggen
dat Jezus op zoek is naar iedere gelovige die wil doorstoten naar zijn
diepste centrum en zich daartoe leeg en vrij maakt (= maagdelijk). Want de
‘eigenlijke’ God kan zich enkel geven aan die mens die zich ontdoet van
alle voorstellingen omtrent God. Alles wat we via opvoeding, ervaring of
studie menen te weten, zet ons voor een bepaalde tijd op weg, maar wordt
geleidelijk een hinder. Op een bepaald ogenblik voldoet niet meer wat we
ontdekten en blijven we met een fundamentele honger zitten. Het is een
kritisch en tegelijk gunstig moment (kairos) waarop je dat alles
moet durven loslaten om zo in een moment van deconstructie, van bijna
hulpeloos en verdwalend zoeken aangeraakt of overrompeld te worden door
God, die altijd reeds op zoek is naar de mens en die zich pas op dat
ogenblik helemaal, nu vanuit zichzelf, kan geven. In het boeddhisme
spreekt men over het moment van verlichting. Wij noemen het een
genademoment waarop niet ik zoekende ben, maar door God gezocht en
gevonden word. Wie dit één keer mag ervaren, kijkt voortaan anders naar
het leven, gaat anders denken en doen.
Neemt men een vlieg in God, dan is die edeler in God
dan de hoogste engel in zichzelf is. Alle dingen zijn in God gelijk en
zijn God zelf.
Alles wat wij dus meestal over God zeggen werkt vanaf
dan verduisterend, zegt Eckhart. God is dus niet goed, niet almachtig,
niet liefdevol, God is zelfs geen persoon. Dat zijn allemaal woorden
waarmee we de aardse werkelijkheid benoemen, maar die nooit in staat zijn
Gods anders-zijn te raken, ook niet als we er superlatieven van maken (God
is eindeloos goed, eeuwig liefdevol, enz.). Het zijn doeken die we over
God gooien, zegt hij. Vandaar de behoefte om tot negatie te komen en zo in
het ontkennen ruimte te maken voor iets dat onbenoembaar is maar tegelijk
doordrongen van positiviteit. De God waarover het dan gaat noemt Eckhart
de Godheid. In een preek zegt hij: tussen God en Godheid is een afstand
als tussen hemel en aarde.
Voorbij de Godsvoorstellingen staat de Godheid.
Daarover kunnen we niet spreken, van Hem bestaat geen voorstelling of enig
weten. Contact krijg je er enkel mee door in stilte te wachten en je
beschikbaar te houden. Daarom schrijft Eckhart dat "het mooiste dat een
mens over God kan zeggen is zwijgen uit wijsheid en innerlijke rijkdom".
Zwijgen is niet alleen belangrijk opdat de waarachtige
God kan verschijnen, het is voor heel het leven belangrijk, want stilte en
aandachtig zwijgen brengt ons bij de kern van onze persoon en de kern van
alle dingen. De mens bestaat uit verschillende lagen, zegt Eckhart. De
oppervlakkigste laag wordt gevormd door de lagere krachten. Daarmee
verovert hij de werkelijkheid en kan hij haar manipuleren. Het gaat om
rationaliteit, begeerte, zelfaffirmatie. Via deze krachten bezit men de
werkelijkheid, gaat men haar beheersen en inpassen in zijn behoeften. Op
een dieper niveau zijn er de hogere krachten waardoor hij respect voor de
realiteit krijgt en tot wederkerigheid komt. Het zijn geheugen,
ontvankelijkheid en liefde. Op het diepste niveau is de mens echter louter
openheid, een zuiver Niets. Eckhart spreekt ook van een zielenvonk, een
wilde woestheid, maagdelijheid. Het is een leegte die vanuit het
dagelijkse leven leegte lijkt, maar tegelijk ontvankelijk is voor wat
achter de werkelijkheid ligt. Een Niets dat alleen vrede neemt en vervuld
wordt als het in contact komt met de bron van het leven, datgene of
Diegene die aan alles leven geeft.
De eigenlijke Godsgeboorte - en daarover gaat heel deze
mystiek - heeft maar plaats als de onverwachte, beeldloze God kan
instromen in dit diepste centrum van de mens. Wat dan gebeurt is van een
radicaal andere orde dan alles wat meestal als geloof of spiritualiteit
wordt omschreven. Het is een moment van verlichting, van plots inzien waar
het in dit leven om gaat. Op dat ogenblik gaat men inzien hoe die God als
bron van alle leven ook de levenskracht van onze eigen ziel wordt. Esse
est Deus, schrijft Eckhart. Het zijn, de levenskracht is God. En heel
de werkelijkheid komt maar tot leven door het ontvangen van deze kracht.
Wie dit begint te zien, krijgt plots een diep besef van wat werkende
werkelijkheid is. Gevoel voor wat of Wie zich altijd en in alle
omstandigheden opnieuw wil geven.
Het hoogste en uiterste wat een mens kan loslaten, is
dat hij God omwille van God loslaat. Sint-Paulus nu liet God omwille van
God los. Hij liet alles los wat hij van God nemen kon, en liet alles los
wat God hem geven kon en alles wat hij van God ontvangen kon. Toen hij dit
alles losliet, liet hij God omwille van God los, en daar bleef God voor
hem zoals God in zichzelf is, dus niet op de wijze waarop Hij ontvangen of
gewonnen wordt, maar in het zijn dat God in zichzelf is. Nooit gaf hij God
iets of ontving hij iets van God; het is enkel één en louter één-zijn.
Hier is de mens waarlijk mens en aan deze mens raakt geen lijden, evenmin
als aan het goddelijke zijn. Zoals ik reeds vaker heb gezegd, is er iets
in de ziel dat zo verwant is met God dat het één is en niet verenigd.
Vrouw
De geboorte van de Godheid in het centrum van onze ziel
heeft maar betekenis als wij daardoor op een nieuwe wijze naar buiten keren.
Wanneer de mens voortdurend maagd zou zijn, bracht hij
geen vrucht voort. Wil hij vruchtbaar worden, dan is het noodzakelijk dat
hij vrouw is…. Een maagd die vrouw is, vrij en niet aan eigenbelang
gebonden, is aldoor God even nabij als zichzelf.
De diepste kern van de mens is een leegte, een open
ontvankelijkheid, die echter niet afgesloten is, maar moet doordringen in
onze lagere en hogere krachten en zo onze houding naar buiten gaat bepalen.
Op dat ogenblik wordt ons liefhebben doordrongen van een ruimte latende
openheid, leert kennis open te staan voor het ongekende, wordt ons kijken
tot zien voorbij de dingen, enz. Zo stroomt vanuit ons diepere zelf het
Andere, het Oneindige in het alledaagse en zo werkt de mens mee om Gods
schepping te voltooien.
Eckhart gebruikt een specifiek begrip om deze houding
weer te geven: abegescheidenheit of afstand nemen waardoor we
de werkelijkheid niet meer als object inpassen in onze behoeften, maar haar
teruggeven aan haarzelf. Het is een houding van belangeloosheid waardoor de
werkelijkheid zich weer kan vertonen zoals ze dat vanuit zichzelf wil doen.
De dingen houden op object te zijn, zodat ook het subject zijn superieur
statuut verliest. Nogmaals: deze terugtredende houding is geen negatieve
ascese, maar net het omgekeerde: het is weer oog krijgen voor de grond van
heel de werkelijkheid.
Ook ethiek steunt bij Eckhart niet meer op een sterk Ik
dat zelf uitmaakt hoe en waar het zich wil engageren. Ethiek wordt veeleer
uitstromen in een onberekend, mateloos zich overgeven aan vragen die op ons
afkomen. Zoals de Godheid uitstroomt in de kern van de persoon, zo moet die
stromen in heel de schepping als een lichtend, verlichtend doorgeven van
leven. Een vergelijking met de ethiek die steunt op het gelaat van de Ander
zoals beschreven door E. Levinas zou boeiende gelijkenissen en verschillen
aan het licht kunnen brengen.
Dat is echte vruchtbaarheid, waarbij men niet eenmaal een
kind baart, maar aanhoudend leven doorgeeft.
Weduwe
Eckhart roept zijn toehoorders op te leren leven in het
hier en nu en tot een leven zonder waarom. Het filosofisch woord dat hij
daarvoor gebruikt is gelasenheit, hij in zijn preken
beschrijft met het beeld van de weduwe. In het evangelie van Lucas wordt
verteld hoe Jezus een stadje nadert waar de enige zoon van een weduwe wordt
begraven (Lc. 7,11). Jezus is diep bewogen door het verdriet, brengt de
jongen weer tot leven en geeft hem terug aan zijn moeder. Eckhart gaat op
een heel andere manier met de tekst om. Deze vrouw was het contact met haar
diepere zelf verloren, zegt hij. Dat diepere zelf noemt hij het mannelijke
(het intellectus = zuivere openheid). Omdat ze dit contact was
verloren, kon ze geen leven meer doorgeven, haar kind was dood. Het echte
wonder bestond erin dat Jezus haar terugbracht bij haarzelf en deed inkeren
in haar diepste grond.
'Weduwe' is een ander woord voor 'iemand die gelaten
is' en heeft losgelaten. Zo moeten ook wij alle schepselen loslaten en
afscheid van hen nemen
(alle crêatûren lâzen und abescheiden).
De profeet zegt: de vrouw, die niet kan baren, heeft meer kinderen dan
diegene die wel kan baren (Jesaja 54,1). Zo is het ook met de ziel, die
geestelijk baart: haar geboorte is veel overvloediger; elk moment in de
tijd baart zij. De ziel die God bezit, is altijd barend. God moet
noodzakelijk al zijn werken uitvoeren. God werkt altijd in een Nu van
eeuwigheid, en zijn werken bestaat erin zijn Zoon te baren. Die baart Hij
altijd. In deze geboorte zijn alle dingen uitgestroomd en God heeft in
deze geboorte zoveel zin dat Hij heel zijn kracht opgebruikt. God werkt
heel zijn kracht in deze geboorte uit en dit heeft tot gevolg dat de ziel
terug tot God kan komen.
Het Nederlandse woord 'gelatenheid' betekent net het
tegendeel van wat Eckhart bedoelt. Gelassenheit is eerder aandachtig
uitzien, verwachtend en hoopvol zich gereed maken tot de Godheid zich wil
geven. Wij kunnen enkel maar 'de tempel leeg maken van geldwisselaars en
verkopers van dieren' zegt hij. Alles loslaten in een houding van
waarachtige armoede. Diegene is arm die niets wil en niets weet en niets
heeft, schrijft hij in zijn mooie preek Beati pauperes spiritu.
Daarmee verruimt hij het armoede-ideaal van zijn bedelorde tot een totale,
menselijke kleinheid.
We zeggen dus dat de mens zo arm moet zijn dat hij noch
een plaats is, noch er een heeft waarin God zou kunnen werken. Waar de
mens nog iets van plaats bewaart, daar houdt hij onderscheid. Daarom bid
ik God dat hij mij leeg maakt van God.
Rutger Kopland schrijft in een van zijn gedichten: Ik
heb altijd gewild dat ik dat was, een lege plek voor iemand, om te blijven.
Theo De Boer schreef er een prachtig essay over. Het is een goede
samenvatting van Eckharts mystiek. In diepe bescheidenheid kunnen wachten en
gereed zijn om in het nu de volheid van leven te ontvangen.
Als je duizend jaar lang aan het leven zou vragen:
"waarom leef je?" – en als het kon antwoorden, zou het niets anders zeggen
dan: "Ik leef omdat ik leef." Dat komt omdat het leven uit zijn eigen
grond leeft en opwelt uit zichzelf. Daarom leeft het zonder waarom, zelfs
hierin dat het voor zichzelf leeft. Als je nu een waarachtig mens die
werkt vanuit zijn eigen grond, zou vragen: "Waarom doe je je werk?" – en
als hij goed zou antwoorden, zou hij niets anders zeggen dan: "Ik werk
omdat ik werk.
Marcel Braekers
Terug